Verhalen Groninger kerken

De geschiedenis van de Groninger kerken bestaat niet alleen uit jaartallen, bouwstijlen en orgels. Elke kerk vertelt zijn eigen verhaal, over stenen duivels, hostiewonderen, onthoofde heilige of beenderen die in de kerkmuur werden gemetseld. Dit zijn niet alleen spannende verhalen, maar ze laten ook zien hoe rijk de historie is van het Groningerland. En ze plaatsen de kerk in de loop van de geschiedenis.

Van rouwborden, watergeuzen, en een mooie passiemoord

In het koor van de kerk te Pieterburen hangt een van de oudste rouwborden van de provincie Groningen, ter herinnering aan de watergeus Diederik van Sonoy, overleden in 1597. Als een borgheer overleed, ging dat het hele dorp aan. Pieterburen1Urenlang luidden de dorpelingen de kerkklokken, bijgestaan door “kloksmeer” in de vorm van een stevige borrel. Borg en kerk werden met zwart laken behangen, de bijbel zwart omwikkeld. Boven de hoofdingang van de borg werd een zwart bord bevestigd.

Na de bijzetting in het graf werd dit rouwbord in de kerk opgehangen. Soms werd daarvoor een tweede, fraaier exemplaar gemaakt. Het alleroudste Groningse rouwbord is dat van Frans Rengers, in 1568 in Hellum overleden. In totaal zijn hier 63 rouwborden bewaard gebleven. Oorspronkelijk moeten er veel meer zijn geweest, kerken hingen vaak vol rouwborden. De heren van Dijksterhuis waren eigenaar van koor en grafkelder van de kerk van Pieterburen. In de Franse tijd werd adellijk eerbetoon in de kerk verboden. Rouwborden en herenbanken moesten verdwijnen. Vaak werden ze verbrand. In Pieterburen werden ze naar de borg Dijksterhuis gebracht. Na de revolutie kwamen de overgebleven rouwborden terug. Borgheer Goosen Geurt Albarda van Dijksterhuis bracht het belang van zijn geslacht weer duidelijk tot uitdrukking in de kerk.

Het rouwbord van Diederik Sonoy stamt uit een andere gewelddadige tijd: de tachtigjarige oorlog. Hoe komt een beroemde watergeus nu in Pieterburen terecht? Sonoy werd in 1530 geboren in Kleef. In 1555 trouwde hij Maria van Malsen. Sonoy, die in zijn jonge jaren al koos voor het Protestantisme, tekende in 1566 het Verbond der Edelen, dat om vrijheden voor de gereformeerde religie vroeg. Door de Raad der Beroerten werd hij verbannen. Met zijn vrouw vluchtte hij naar Emmerik. Toen Alva hem daar in 1571 wilde arresteren, was hij er niet. Maria had hem tijdig gewaarschuwd. Toen Willem van Oranje zich ontpopte als leider van het gewapende verzet tegen de Spanjaarden, sloot Sonoy zich bij hem aan. Van 1572 tot 1588 was Sonoy gouverneur van Hollands Noorderkwartier, en voerde oorlog tegen de Spanjaarden. Hij begin veel wreedheden. Verdachten van Spaanse sympathieën werden gemarteld, van het klooster in Egmond liet hij daken en goten slopen om er kogels en kanonnen van te gieten. Priesters werden opgehangen, huizen verbrand omdat de bewoners Spanjaarden hadden geholpen.
Pieterburen2
De 17e-eeuwse (katholieke) dichter Jan Vos schrijft over hem (Alle de gedichten van den Poëet Jan Vos. Jacob Lescailje, Amsterdam 1662) Dit is een beest: maar 't schynt een mensch voor die 't bekykt. Geen schrikkelyker beest dan dat een mensch gelykt: Of is 't een mensch; zoo is 't om elk in bloedt te smooren. De hel heeft aan Sonoy haar wreedtste beul verlooren. Na het overlijden van Willem van Oranje verloor Sonoy zijn macht. Met zijn tweede vrouw Johanna de Mepsche ging hij wonen in het Oost-Friese Norden. In 1594 veroverden Prins Maurits en de zijnen Groningen. Stad en Ommelanden werden het zevende gewest van de Republiek der Nederlanden. Toen trok Diederik in bij zijn dochter Emerentiana, die met haar man Luirt Manninga op Dijksterhuis woonde. Hier overleed Sonoy en werd in juni 1597 begraven in de kerk van Pieterburen, in aanwezigheid van Willem Lodewijk van Nassau. Op zijn verzoek werd ook het stoffelijk overschot van Maria, overleden in 1584, overgebracht naar Pieterburen.

Halverwege de zestiende eeuw was de Pieterbuurster borg in handen gekomen van Hayo Manninga, een hervormingsgezinde jonker uit Oost-Friesland. Het kasteel dateerde uit de veertiende eeuw, en lag oorspronkelijk buitendijks. Aangenomen werd, dat het een “Roofslot” was. Aan de toren zag men – volgens een beschrijving uit 1902 – “ringen, waaraan booten en schepen, uit zee teruggekeerd, konden worden vastgelegd. Zoo bood het huis in de 14e en 15e eeuw voor zijne bewoners eene uitstekende gelegenheid zoowel strandroof als den zeeroof uit te oefenen.” Sinds 1845 was het slot onbewoond, en in 1903 werd tot sloop overgegaan. Het enige wat ervan rest is het omgrachte borgterrein, en een boerderij die in het oude schathuis van de borg is gebouwd.

Het Nieuwsblad van het Noorden meldt op 13 juni 1903, over het uitbreken van de fundamenten: “Bijzonderheden zijn niet aan het licht gekomen; alleen aan den kant van het slotplein is bij het vellen van een ouden lindenboom, gedeeltelijk daaronder, een graf gevonden, bedekt met ongeveer een halve meter puin, waaronder een skelet en fragmenten van een zijwapen. Of het de overblijfselen zijn van den een of anderen roofridder, die hier werd weggestopt? De fantasie heeft hierbij vrij spel…” Gezien het zijwapen (zwaard of degen) is het onwaarschijnlijk dat dit het stoffelijk overschot van het zwarte spook was. Maar wie weet? Het oorspronkelijke verhaal vinden we bij Pieter Cristiaenszoon Bor, in zijn “Oorsprongk, begin, en vervolgh der Nederlandsche oorlogen, beroerten, en borgelyke oneenigheden” uit 1681.

In modern Nederlands staat er: “Ik moet hier nog een vreemde zaak vertellen van een Moor, die wel 20 jaar Sonoy gediend had. Hij werd op ’t Huys ten Dijk door liefde voor de dienstmaagd bevangen. Hij werd jaloers op een mede-knecht, die hij dodelijk verwondde. Toen die opknapte, deed de Moor vergif in zijn eten. De dochter van Sonoy gaf de patient Eenhoorn, zodat hij het gif uitbraakte. Toen de Moor zag dat de dienstmaagd de zieke eten bracht, volgde hij haar en doorstak haar zo hard met een mes, dat het in zijn hand afbrak. Toen ging hij met een bijl naar boven en vermoordde de zieke knecht. Sonoy hoorde het gekrijs van de dienstmaagd, en rende naar boven.

Pieterburen3De Moor zei dat hij het huis van boeven en fielten wilde zuiveren. Sonoy sloot de Moor op, maar hij ontsnapte naar het dorp, waar hij weer gevangen werd. Hij vroeg zijn heer hem te sparen, omdat hij hem trouw gediend had. In zijn eigen land was hij een koningszoon, kon hij zijn zonde niet met een geldboete afkopen? Maar bij het laatste onderzoek bekende hij dat hij alle bewoners van het Huys vermoord zou hebben als het hem gelukt was om de poort te sluiten. Toen werd hij veroordeeld, en op 9 oktober 1596 onthoofd.” Later kwamen er steeds spannendere details bij, zo was de bloedvlek op de vloer van de moordkamer (de “Morianenkamer”) onuitwisbaar, en zou de Moor nog steeds als een spook rondwaren op het terrein van Dijksterhuis.

Zie verder
Pieterburen: Petruskerk
Kerkensite: kerk-pieterburen.nl